Vandaag open tot 17 uur
Momenteel gesloten
Tickets

ÉÉN LIEFDE, VELE GEZICHTEN – EEN STAD IN BEELD

Bianca Pilet Ray 2026 Een liefde vele gezichten Grote Kerk Breda

Bianca Pilet, Ray, 2026 

All the texts on this page can be translated using your browser’s automatic translation feature | Via de automatische vertaalfunctie in uw browser kunt u alle teksten op deze pagina vertalen:

Beeldverhalen toen en nú

Door Marieke Wiegel - Directeur

De Grote Kerk Breda is al eeuwenlang een huis van verhalen, in het hart van de stad. Beeldverhalen hebben hier een belangrijke plek. In steen gehouwen, uit hout gesneden en op muren en panelen geschilderd vind je hier verhalen van mensen én van heiligen.

Maar wat voor verhalen zijn dat dan? De stenen, houten en geschilderde werken nemen je mee in de wereld van de adel met hun dynastie en macht, in de voetsporen van heiligen en in de dagelijkse levens van burgers van weleer. De beeldverhalen van de burgerij zien we bijvoorbeeld in de Sint Joriskapel, waar je als bezoeker van de kerk oog in oog staat met enkele leden van het in de 16de eeuw belangrijke voet- en kruisbooggilde. Nog meer mooie voorbeelden zijn te zien in het hoogkoor, waar op de houten 15de-eeuwse koorbanken verhalen en wijsheden van toen te zien zijn. 

Reis door de eeuwen heen
In de middeleeuwen werden de meeste verhalen beeldend verteld. Logisch: veel mensen konden immers niet lezen en schrijven. Door de eeuwen heen ontwikkelden die beeldverhalen zich verder: ze vertellen iets over de tijd en de cultuur waarin ze ontstonden en over de dan beschikbare technieken en materialen. Veel van die verhalen kennen we nu uit de musea. Denk aan de grote epische schilderijen van bijvoorbeeld Rubens, de juist intieme huiselijke taferelen van Vermeer, de etsen van Goya of de prenten van onder andere Dürer of Breugel. Aan de hand van deze onuitputtelijke schatten aan beeldverhalen maak je als toeschouwer een reis rechtstreeks door de eeuwen heen.

En dan – in de 19de eeuw – wordt de fotografie uitgevonden; de oudste zus in de familie van nieuwe media. Het maken van foto’s geeft een andere dimensie aan het vertellen van beeldverhalen. Portret- en documentairefotografie zijn daarin altijd belangrijke genres geweest. De eerste foto’s waren zwart-wit en 
erg statisch – door de lange sluitingstijd zorgde beweging voor wazig beeld. Maar de fotografie ontwikkelde zich rap en de foto’s werden stap voor stap steeds gevarieerder.

Focus op het dagelijkse leven
Laten we eens inzoomen op de eerste belangrijke grondleggers van de documentairefotografie; kunstenaars die het gewone leven in hun omgeving vastlegden. Zoals Eugène Atget (1857–1927), die rond 1900 de sfeer en mensen van ‘zijn Parijs’ op beeld zette. De Duitse portret- en documentairefotograaf August Sander (1876–1964), die bekend werd om zijn grootschalige project Menschen des 20. Jahrhunderts, waarmee hij de mensen in de Weimarrepubliek sociologisch in beeld bracht. Of het werk van de Engelse fotograaf Martin Parr (1952–2025), bekend om zijn satirische, kleurrijke en vaak confronterende blik op het dagelijks leven, de consumptiecultuur en het 
massatoerisme. Fotografie is inmiddels niet meer weg te denken uit ons bestaan en een belangrijke techniek om hedendaagse beeldverhalen vast te leggen. 

Nieuwe perspectieven op het nu
Terug naar de Grote Kerk Breda. Het project Eén liefde, vele gezichten – Een stad in beeld sluit naadloos aan op de eeuwenoude cultuur van beeldverhalen in het monument. En met de fotografieopdracht aan Bianca Pilet en Stacii Samidin verankeren we nu ook de eigen-tijdse beeldcultuur in de kerk. We maken ruim baan voor actuele beeldverhalen van de inwoners van Breda, over hun passies en over hun liefde voor de stad en het icoon van de stad. 

Deze fotografieopdracht is de derde editie in de reeks Nieuwe perspectieven. Hiermee nodigt de Grote Kerk Breda kunstenaars uit om met hun werk te reflecteren op de gelaagde geschiedenis van een van de belangrijkste monumenten van Breda. Bianca Pilet en Stacii Samidin kijken met de blik van een buitenstaander naar nieuwe inwoners en naar Bredanaars die hier al generaties lang geworteld zijn. 

Bianca Pilet richtte zich op individuele Bredanaars. Ze portretteerde hen in kleur, mét hun tatoeages, waarmee ze de liefde en passie voor hun stad en voor de kerk op hun huid lieten vastleggen. 

Stacii Samidin fotografeerde in zijn kenmerkende zwart-wit documenairestijl verschillende gemeenschappen in Breda. Wat je ziet op zijn foto’s zijn Bredanaars die een gezamenlijke passie, geschiedenis of cultuur delen en belangrijke subculturen vormen in de stad. In zijn foto’s staat niet één individu centraal, maar de vele gezichten en culturen die de stad vormen. 

Een verhaal dat altijd doorgroeit
Een stad wordt gemaakt door de mensen die er wonen, die zich verbonden voelen met de plek waar ze leven. De Grote Kerk Breda draagt al eeuwen bij aan dat gevoel van verbondenheid; aan het gevoel van thuis. Het is een ankerpunt in de stad en herkenningspunt aan de horizon. Bianca Pilet en Stacii Samidin geven met hun foto’s een eigentijds en nieuw perspectief op Breda én op de liefde van de inwoners voor de stad en voor de Grote Kerk Breda met haar hoge en fiere toren. Ze voegen hiermee een nieuwe laag beeldverhalen toe aan de vele beeldverhalen in de kerk. Belangrijk, want het verhaal van de kerk en de stad is voortdurend in ontwikkeling. En op deze manier houden we de verhalen sámen levend. 

Mijn Breda

Door Cécile Koekkoek

Iedereen heeft zijn eigen Breda. Mijn Breda is gestold in de tijd en begon in 1972, in een flat in Tuinzigt. Ik woonde er twee jaar, met mijn vader, moeder en één jaar oudere broer. Van de flat herinner ik me niets, of het moet de mand voor de hond zijn, maar dat kan ik ook hebben onthouden van een foto.

Toen ik twee was verhuisden we naar Princenhage, waar net een nieuwbouwwijk was verrezen. We zouden het nu een Vinex-wijk noemen, maar dat woord bestond toen nog niet. Ik ging naar openbare basisschool De Eerste Rith, waar elke onderwijzer in een Renault 4 reed. 
Het waren de jaren 70 en De Eerste Rith was modern, bijna hippie-achtig, althans, dat zie ik nu heel duidelijk voor me, bijna vijftig jaar later. Ik bewaar goede herinneringen aan mijn juffen en meneren (meester zeggen we niet in Breda, in Breda zeggen we meneer), ik kan ze allemaal nog zo voor me zien. Meneer Noren, juffrouw Marie-Thérèse, meneer Van Eyl, juffrouw Gonny. Gek: de juffen spraken we aan met voornaam, de meneren met hun achternaam. De tweede feministische golf was dan wel in volle bloei, maar in de praktijk moest ze nog worden doorgevoerd. 

We waren vaak in de natuur, op de Vloeiweide, in het Liesbos, in het Mastbos (het oudste cultuurbos van Nederland!). Mijn Breda is groen, een stad omringd door bossen, met in elk bos een bosrestaurant, waar de gezelligheid en warmte van Breda je zodra je binnenstapt aangenaam tegemoet walmt. Wandelen is fijn, maar 
de nazit belangrijker, zullen veel Bredanaars vinden. 

Ook al zaten mijn broer en ik op een openbare school, we gingen wél naar de kerk, naar de Sint-Martinuskerk in het centrum van Princenhage, in de volksmond ’t Aogje. De toren van de kerk dateert uit 1400 (!), later werd de spits toegevoegd en weer later werd de toren in neogotische stijl verbouwd en de torenspits vervangen. 

De toren ken ik zelf vooral van de spectaculaire lanceringen van Prins Carnaval, die in mijn vroegste herinneringen elk jaar opnieuw op miraculeuze wijze uit de toren tevoorschijn werd getoverd. 

Ik zong in kinderkoor de Meertenzangertjes, deed de Heilige Communie, het Heilig Vormsel en ik liep mee in de lampionnenoptocht als het Sint-Maarten was – het inhalige vragen om snoep zoals ze dat boven de rivieren doen heeft mij nooit kunnen bekoren. Van de heilige Martinus, naar wiens beeld ik als kind tijdens kerkdiensten graag keek, had ik immers geleerd dat je aan arme mensen moest geven (zelf deelde hij zijn mantel met bedelaars) en je nooit beter voor moest doen dan je was. Er was trouwens ook een protestantse kerk in Princenhage, de Johanneskerk, ontworpen in neoclassicistische stijl. Maar die kerk was voor andere mensen. 

Ik zag Breda vooral vanaf de fiets, want we deden alles op de fiets. Naar opa en oma in de Karbouwstraat (Brabantpark), naar oma in de St. Ignatiusstraat (ook Brabantpark). Het Sint-Ignatiusziekenhuis, gebouwd rond 1920, vond ik altijd zo prachtig, vooral in de zomer, als de oranje luifels uit waren en de zon uitbundig scheen. Er tegenover zorgde de Koepelgevangenis voor het contrast. We passeerden de Generaal Maczekstraat, vernoemd naar generaal Stanisław Maczek, die op 29 oktober 1944 Breda bevrijdde, niet door te bombarderen, maar door infanterie in te zetten. De Bredanaars hebben de Polen voor altijd in hun harten gesloten, wat zich onder andere uit in de jaarlijkse herdenking. 

Het centrum van Breda voelde heel anders als ik het aanfietste vanuit mijn opa en oma’s. Maar zowel bezien vanuit Princenhage als vanuit Brabantpark was de Grote Kerk Breda de kern van de stad. In die jaren was de kerk overigens nog behoorlijk zwart, na het verwijderen van de roetlaag kwam er een bijna lichtgevend en betoverend pronkstuk tevoorschijn, het stralende middelpunt van Breda. 

Brabantpark voelde voor mij al als een andere wereld, van de een naar de andere kant van de stad, ook al wist ik dat mijn grootouders en overgrootouders en waarschijnlijk ook mijn overovergrootouders allemaal Bredase (of in ieder geval West-Brabantse) roots hadden. Breda stroomde door mijn aderen. 

En door mijn mond, zoals ik later in de hoofdstad vaak te horen kreeg. Op de middelbare school, het Mencia de Mendozalyceum (och wat een sjieke naam toch, vernoemd naar gravin Mencía de Mendoza, die in 1524 op zestienjarige leeftijd trouwde met graaf Hendrik III van Nassau-Breda) ontwikkelde zich mijn voorliefde voor de Nederlandse taal. Ik hield van spellen, van mooie zinnen, van literatuur. En misschien wilde ik wel ooit Nederlands gaan studeren, waarvoor ik Breda zou moeten verlaten. Dan moest het maar meteen de hoofdstad worden, want die lonkte. Daar waren allemaal dingen die ik niet kende: andere winkels, theaters, clubs, universiteiten en hippe mensen. Eng ook wel. 

Maar zover was het nog niet. Voorlopig was ik in Breda, waar ik op de middelbare school voor het eerst buiten mijn Aogse bubbeltje trad. Ik kreeg vrienden die van voetbal hielden en elke twee weken een avondje NAC bijwoonden. Voor ik er erg in had zat ik op zaterdagavond op de B-side, of elders op de tribune van het Beatrix stadion, van 1940 tot 1996 de thuishaven van NAC Breda. Er ging een andere, nieuwe wereld open. Op de B-side voelde ik me niet per se thuis tussen de zingende en schreeuwende mannen, maar de liefde voor NAC fascineerde me mateloos. 

Als bijbaan plukte en sorteerde ik tomaten bij een familie met wie ik zeer goed bevriend raakte. In het weekeinde en in de vakanties fietste ik ’s ochtends om een uur of zes naar de kassen in de Adriaan Klaassenstraat. Het laatste stukje van de route mondde uit in een landelijke omgeving van tuinbouw en weilanden. De stad leek er ver weg. Tijdens het plukken en sorteren kletsten we eindeloos, onze monden stonden nooit stil. Dit stuk van Breda is helemaal verdwenen. Ik zou er nu verdwalen, omdat ik niet meer kan zien wat er was, alleen nog in mijn geheugen. In plaats daarvan kunnen we nu meubels kopen bij IKEA en een bezoek brengen aan andere woonwinkels en tuincentra.

Dat ik Nederlands wilde studeren vonden mijn collega’s een beetje vreemd. ‘Nederlands, da praote toch al?’ Nou nee, toen ik me in Amsterdam voegde bij de andere eerstejaarsstudenten vroeg iedereen waar ik vandaan kwam, want ik praatte zo raar. Daar was ik me nooit eerder bewust van geweest, want in Breda praat iedereen Bredaas. Met een keel-r (vooral lastig in woorden als sport), een volle w (zeg maar eens warm), het weglaten van de d (ik heb pijn aan mijn schouwer) en natuurlijk de boterzachte g. En ja, ik geef het maar toe: ik paste me aan. Niemand vraagt ooit nog op basis van mijn accent waar ik vandaan kom. Behalve als ik vraag: Wa wilde gij drinke? Gin tonic? Wa wilde gij dan wel?

Tijdens mijn studie specialiseerde ik me in (post)koloniale letterkunde. De overheersing van enorme bevolkingsgroepen door een witte minderheid maakte me woedend en ik wilde weten hoe onze koloniale geschiedenis in de literatuur werd weergegeven (antwoord: eenzijdig). Ook de tragische geschiedenis van de Molukkers kwam hierbij aan bod. En o, wat raken de foto’s die Samidin maakte van de Molukse wijk me, waarop de trots van de Molukse gemeenschap maar ook hun liefde voor Breda zo goed zichtbaar is. 

Toen ik uiteindelijk in de journalistiek ging werken en onder andere sportcolumns ging schrijven, haalde ik 
vaak herinneringen op aan mijn tijd op de tribunes bij NAC. Ze bleven in Breda niet onopgemerkt. Ik nam zelfs plaats in de Raad van Commissarissen van de club, wat mij voor een paar jaar weer dichter bij Breda bracht. Ik had het gemist: de gezelligheid, de praatjes, de grappen, de gastvrijheid. Ik werd meteen opgenomen in de groep, 
de mannen in de raad vonden het leuk, een vrouw erbij. En ze waren er ook een beetje trots op. In die tijd bezocht ik behoorlijk wat avondjes NAC, er was een promotie, maar ook een degradatie. Soms verandert er niets.

Maar voetbal is niet alleen NAC. Zo’n 20 jaar geleden richtte Abdelhak Bakbachi, samen met Maikel Resort, de stichting Sterren van Morgen op, gericht op het ontwikkelen van talenten en kansengelijkheid. Want telkens als Abdelhak hoorde hoe de jeugd in de Hoge Vucht als criminelen in het nieuws kwam, raakte hem dat. Hij vond dat het tijd was voor actie en zette zich in voor kansengelijkheid voor de jeugd en richtte Sterren van Morgen op.

En nu is er Eén liefde, vele gezichten. Ik ben slechts een van die gezichten, met mijn eigen kleine geschiedenis van Breda, de stad van mijn jeugd, van mijn vroegste herinneringen, van de bepalendste jaren van mijn leven, de vormende jaren. Zonder Breda zou ik niet zijn wie ik nu ben. Andersom gelukkig wel: Breda bruist, leeft, is lief, een stad in beweging. 

Cécile Koekkoek is een Nederlands journalist en schrijver. Ze werkt als chef van het kunst- en cultuurkatern van de Volkskrant. Na een gelukkige jeugd verliet Cécile Koekkoek op haar achttiende Breda om te gaan studeren en later in de journalistiek te gaan werken. Andersom verliet Breda haar nooit. Ze bleef erover schrijven en naar terug verlangen. En ze was een aantal jaar lid van de Raad van Toezicht van NAC. Dit is haar Breda. 

EEN GESPREK MET BIANCA PILET

Door Cécile Koekkoek

Op een regenachtige vrijdagmiddag ontvangt Bianca Pilet me in een prachtig pand in hartje Amsterdam. Van buiten statig, van binnen aangenaam rommelig. In de ontvangsthal hoge plafonds, vergeeld linoleum, afbladderende posters aan de muur, deuren naar kantoortjes en werkruimtes en een ruim leegstaand lokaal dat aansluit op een binnentuin, waar Pilet plantjes heeft neergezet voor de bijen. Een steile geïmproviseerde trap leidt naar haar atelier, met aan de witte muren flarden van haar fotografie: mode, mensen, probeersels. Er heerst een serene rust, een rust die Pilet zelf ook uitstraalt. Ze praat zacht, bedachtzaam.

We zijn hier omdat Pilet door de Grote Kerk Breda werd gevraagd voor de tentoonstelling Eén liefde, vele gezichten – Een stad in beeld

Pilet groeide op in Nijmegen, maar vestigde zich op achttienjarige leeftijd in de hoofdstad. Breda kende ze niet of nauwelijks, maar de vraag of ze de liefde voor Breda, uitgedrukt in tatoeages van de Grote Kerk Breda, wilde fotograferen kon ze niet weerstaan. De opdracht sluit naadloos aan bij haar oeuvre, waarin ze regelmatig zoekt naar ‘mensen die iets dragen wat ik niet kan benoemen, maar ook niet kan negeren,’ zoals ze zelf zegt. ‘Geen harmonieuze lichamen, geen ideaalbeelden. Onvolmaakte esthetiek, met nadruk op authenticiteit, humor en menselijkheid.’ 

Portretten vormen een groot deel van haar werk, waarvoor ze de modellen altijd zorgvuldig cast. In het zoeken naar bezitters van een Breda-tatoeage werd ze bijgestaan door Pien Rosmalen, die zo’n beetje alles en iedereen kent in Breda. Rosmalen zocht in haar eigen netwerk, sprak met tatoeëerders, struinde sociale media af en dook in de krantenarchieven. Het leverde een schat aan uiteenlopende modellen op.

Pilet (geen tatoeages) zet een pot thee en vertelt over haar bezoekjes aan Breda, over de gezelligheid, de gastvrijheid, de kopjes koffie. ‘Het verbaast me hoeveel horeca er is. Een beetje mooi weer en alle terrassen zitten vol, ook overdag. En dat zijn geen toeristen. Het bier vloeit rijkelijk, en iedereen doet rustig aan.’

Pilet kwam in Tuinzigt, bezocht de Molukse wijk, maar nodigde ook mensen uit om te poseren in de kerk zelf. Het leverde prachtige, messcherpe en kleurrijke beelden op van tatoeages op ledematen, rug en buik. Opvallend is de nadruk op het lichaam. Sommige gefotografeerden zijn niet met hun gezicht in beeld. In een enkel geval zien we alleen een buik, met in zwarte letters Breda erop.

‘Ik kom niet even snel een foto schieten,’ vertelt Pilet. ‘Daar moesten we de mensen op voorbereiden.’ Want het is nogal een invasie: Pilet wordt geflankeerd door een lichtassistent, ze neemt lampen mee, een midden-formaatcamera op statief. Haar werk vraagt tijd en concentratie, van haar en van degene voor de camera. Voor dit project vroeg ze twee uur de tijd van de mensen. 

Voor Frank, alias Bolle Frank, leek dat in eerste instantie te veel gevraagd, maar toen Pilet in al haar vriendelijkheid zei dat ze daar alle begrip voor had, was hij in een paar tellen om. Natúúrlijk deed hij mee. Voor zijn portret maakte ze dankbaar gebruik van de omgeving van zijn kroeg, Café Tuinzicht: de kleur bruin, een dartbord en Frank zittend op een kruk, het canvas van zijn naakte rug met daarop de Grote Kerk Breda, de toonladders van het Bredase volkslied én de drie rode kruizen getatoeëerd naar de camera gericht. 

Gianiro, drie kruizen op zijn bovenbeen, zocht ze op in de Molukse wijk. ‘We hadden afgesproken bij het wijkcentrum in de Molukse wijk. Zijn zus was er aan het bakken, kinderen renden in en uit, de zon scheen. Tijdens het fotograferen toeterden de voorbijrijdende auto’s, 
of ze stopten voor een praatje. Er hingen mensen uit het raam. Iedereen lette op elkaar. Het was hartverwarmend, zoals we dat voor ons zien als we aan vroeger denken.’

Eenmaal aan het werk is daar de concentratie, de focus op het beeld, de spanning, de intensiteit. Gevraagd naar de betekenis van de beelden die ze schoot voor de expositie is het eerste woord dat Pilet noemt: thuis. 
De liefde voor de stad raakt Pilet. Vooral het gevoel ergens thuis te zijn, een huis te hebben, een plek waar alles samenvalt, waar je voelt dat alles klopt, vertrouwen geeft, een plek die rust en veiligheid biedt. De Grote Kerk Breda is voor de geportretteerden het symbool van die geborgenheid. Zoals model Dré het formuleert: ‘Als ik thuiskom zie ik de Grote Kerk, als ik de Grote Kerk zie, ben ik thuis.’ Een treffender omschrijving is nauwelijks te bedenken, dus waarom dan niet laten tatoeëren? 

‘Een Breda-tatoeage zegt wat mij betreft alles over de liefde voor Breda. Dat beeld is voor mij voldoende,’ aldus Pilet. Maar ook al hebben de gefotografeerden in veel gevallen de Grote Kerk Breda laten tatoeëren, ze komen er zelden. Het gaat om de kerk als symbool voor Breda, het symbool voor thuis. De plek waar je bent opgegroeid. Waar je je verbonden mee voelt. Waar alles gebeurt. 
‘Als ze terugkomen van vakantie en de toren zien, voelt dat vertrouwd,’ vertelt Pilet. ‘Dat vind ik mooi en bijzonder. Er zijn zoveel mensen op de vlucht, die geen huis hebben. Deze Bredanaars laten zien hoe belangrijk een veilige thuishaven is.’ 

Bij de eerste kennismaking met geportretteerde Ronald, bij hem thuis, kreeg Pilet bij het afscheid een ingelijste kerktoren, geborduurd door zijn moeder. Ronald liet onder zijn voet ‘made in Breda’ tatoeëren, om zich op de camping te kunnen onderscheiden van de alomtegenwoordige Feyenoord-supporters. Liggend op zijn strandbed kon iedereen dan in één klap zien dat híj van Breda is. Pilet vroeg of ze zijn voet mocht fotograferen in de kerk, rustend op het koude donkere Belgische hardsteen van de kerkvloer. Tot dat moment was Ronald er nog maar één keer geweest, met een uitje op de lagere school. Pilet: ‘Volgens mij heeft elke lagere school in Breda zo’n uitje naar de kerk.’ 

Ook Johan en zijn partner miss Lagoona Storm poseerden in de kerk. Storm is dragqueen en performer. Op het Instagram-account van Miss Lagoona ging Pilet op zoek naar de ideale jurk, die zou opgaan in het decor van de kerk. Vijf supporters van NAC kwamen eveneens langs. ‘Die wilde ik allemaal in alleen een sportbroek, met daaronder sneakers.’ De mannen poseerden voor de olijfgroen geschilderde en met gele kruis- en voetbogen versierde achterwand van de Sint Joriskapel. 

Op het moment dat we haar spreken is Pilet bijna klaar met haar werk voor Eén liefde, vele gezichten. Ze heeft geen stress, is vooral kleuren aan het testen. Ze lacht: ‘Dan sla ik een beetje door in mijn nauwkeurigheid.’ Ook legt ze de laatste hand aan een beeld van vallende mannen, geïnspireerd op het epitaaf van Adriana van Nassau en Dirk van Assendelft, waarvoor Casper en rapper PEP model stonden. Over de vraag of de foto’s niet zullen wegvallen in de enorme ruimte die de kerk biedt maakt ze zich geen zorgen. ‘Gelukkig wil de Grote Kerk Breda geen witte wandjes. De prints hangen los in de ruimte, gaan erin op, ze worden onderdeel van de kerk.’ De gemiddelde afmeting van de foto zal anderhalf bij twee meter zijn. ‘Ja, ook de buik van Corné.’

EEN GESPREK MET STACII SAMIDIN

Door Cécile Koekkoek

Het is warm en zonnig aan het Noordplein in Rotterdam. Bewoners slenteren gemoedelijk en met boodschappentassen naar de markt. Aan de straat langs de drukke parkeerplaats valt één gevel op door de openstaande deuren. Het is het uitnodigende atelier van fotograaf Stacii Samidin, van wie de foto’s van buitenaf zichtbaar zijn en die meteen in het oog springen: grote posters met daaroverheen kleine foto’s in lijstjes. In het midden van de ruimte staat een salontafel op een perzisch tapijt. De vloer is donkerbuin, achter in het atelier staat de werktafel van Samidin en er is een zithoek. Het atelier loopt uit in een binnentuin, die Samidin de avond ervoor nog heeft gebruikt voor een voorvertoning van een documentaire die hij maakte, want ook dat behoort tot zijn werk. Ook heeft hij net de laatste hand gelegd aan een expositie.

Vanaf nu gaat al zijn energie naar Eén liefde, vele gezichten – Een stad in beeld, waarvoor hij op zoek ging naar verschillende gemeenschappen in Breda. Het bracht hem onder andere bij de Poolse gemeenschap, wagenbouwers voor de carnavalsoptocht, de supporters van NAC, de Molukse wijk en Bredase punkers.

Samidin is vrolijk, vriendelijk, zacht. Meteen is voelbaar waarom iedereen zich door hem wil laten fotograferen.

Zijn eigen achtergrond is een mix, vertelt hij. Een Molukker met roots in Sumatra, midden-Java maar ook in Suriname, van zijn moederskant. ‘Mijn opa speelde verstoppertje op een VOC-schip en is toen per ongeluk meegenomen naar Suriname.’

Samidin groeide op nabij Capelle aan den IJssel, waar de grootste Molukse gemeenschap van Nederland woont. Hij werd er omringd door familie. Een kleine kampong noemt hij zijn geboortegrond. ‘Iedereen liep door elkaar heen, ’s ochtends kon ik ruiken wat er voor die avond werd gekookt, de basisschool was voor mijn huis, de middelbare school achter, en we kochten alles, van kleding tot een hamburger bij McDonald’s, in winkelcentrum Oosterhof. Dat was mijn wereld, waar ik heb geleerd wat respect is. Ik had eerbied voor mijn wijk, voor mijn familie, voor mijn ouders en voorouders.’ 

Toen hij ouder werd voelde hij langzaam maar zeker dat de wereld groter was dan zijn wijk, en dat zijn gemeenschap weerstand opriep. Hij kon nooit een baantje krijgen en voelde dat er op hem werd neergekeken. ‘En dat ging fout.’ Hij belandde bijna in de criminaliteit.

Via een jongerenproject kwam hij in contact met documentairefotograaf Kees Spruijt, die zich had gespecialiseerd in geradicaliseerde groepen. Samidin had in de jaren dat hij optrok met zijn Molukse neven en vrienden veel gefotografeerd met zijn compactcameraatje. De foto’s liet hij zien aan Spruijt en zo ging het balletje rollen. Curatoren wilden zijn werk exposeren en hij werd aangenomen op de Willem de Kooning Academie. Opeens werd hij niet meer steeds gevraagd naar zijn afkomst, maar naar zijn werk; was hij niet meer die jongen uit de achterbuurt met tatoeages en gouden tanden, maar een kunstenaar. 

Door gesprekken met docenten en begeleiders (‘ik leerde voor het eerst over mezelf te praten’) kwam het idee in hem op om ándere groepen dan de zijne te gaan fotograferen. Hij trok naar de banlieues in Parijs, naar extreemrechtse groeperingen in Duitsland, naar Zuid-Amerika. Over extreemrechts zegt hij: ‘Als ik eenmaal in gesprek met ze ben vergeten ze dat ze me eigenlijk zouden moeten haten.’ 

Hij zou kunnen claimen dat hij de eerste bendefotograaf van Nederland is, maar hij worstelde met het idee dat zijn foto’s te rolbevestigend zouden zijn. Hij ging op zoek naar een gemene deler tussen alle groepen die hij fotografeerde en vond die in patronen: iedereen staat op, iedereen ontbijt, iedereen gaat naar bed. Daarin zijn we allemaal hetzelfde. Overal legde hij mensen vast in hun dagelijkse routine. Hij kwam op het idee zijn werk op die manier te rubriceren en archiveren. ‘Ik kan in mijn archief niet zoeken op Europese gangs, maar wel op mensen die ontbijten.’ Een unieke manier om te laten zien dat alle mensen mensen zijn, en dat het ontstaan van een gemeenschap onlosmakelijk verbonden is met hun geschiedenis. ‘Ik smeer elke ochtend boterhammen voor mijn kinderen, maar ik ben ook bij mensen geweest die tijdens het ontbijt hun wapens schoonmaken.’ 

Breda kende hij nog niet, of het moest zijn van de route naar huis, naar Rotterdam. Als hij bij Breda was, was hij bijna thuis. Zoals altijd wanneer hij aan een project begint, zocht hij eerst in zijn eigen netwerk. De Molukse gemeenschap was natuurlijk een makkelijke stap. Maar ook maakte hij, net als Bianca Pilet, dankbaar gebruik van de inspanningen van Pien Rosmalen, die hem overal introduceerde. Zijn methode: in gesprek gaan, vertrouwen winnen, nog een keer langsgaan voor een praatje. ‘Ik ben minimaal twee keer bij mensen langs geweest om gewoon te praten over waar zij vandaan komen, waar zij voor staan, om erachter te komen wat hun zo mooi en bijzonder maakt.’ Hij zoekt daarbij vooral naar groepen die gevoelsmatig een soort stigma hebben, een stereotype uitstraling. Of: naar het verhaal dat misschien nooit goed genoeg is verteld. 

Neem de Poolse gemeenschap. In de geschiedenis van Breda zijn de Polen bepaald niet onbelangrijk geweest, want ze bevrijdden Breda uit de greep van de Tweede Wereldoorlog. Toch voelt de Poolse gemeenschap zich soms vergeten. Samidin laat op zijn computer de foto’s zien die hij maakte van de Polen. Trots kijken ze tijdens de herdenking van de bevrijding van Breda de camera in. Ook fotografeerde hij tijdens een kerkdienst in de Mariakerk, die door de Poolse parochie wordt bestierd.

Wat opvalt is dat alle foto’s in zwart-wit zijn. Een bewuste keuze, want de focus ligt dan op de mensen, en niet op kleuren. ‘Als iemand een rood T-shirt aan heeft, zie je dat rode T-shirt, en niet degene die het aan heeft.’ Zo trok hij de verschillende gemeenschappen naar elkaar toe, in hun gedeelde liefde voor Breda. En zwart-wit maakt ze tijdloos, want de gemeenschappen bestaan al lang, nemen hun eigen geschiedenis mee, een geschiedenis die ook in de toekomst doorleeft. Met zwart-witbeelden zet Samidin de tijd als het ware stil.

Op zijn werktafel ligt een flinke stapel stevige prints, iets groter dan een postkaart. Het zouden stuk voor stuk prachtige ansichtkaarten zijn, maar voor Samidin is het een voorselectie van beelden die hij wil tentoonstellen in de Grote Kerk Breda. Er zijn foto’s bij van een grote loods waar gebouwd wordt aan de praalwagens voor carnaval. De grote poppen in papier maché geven een grotesk effect. Ook wordt er gebouwd aan een praalwagen als eerbetoon aan een overleden carnavalsboegbeeld. 

Samidin bezocht de Indische gemeenschap, via het Indisch Museum, de plek waar de geschiedenis van Nederlands-Indië wordt verteld en doorgegeven, een geschiedenis die hij van dichtbij heeft meegekregen. ‘Mijn grootouders hebben het nog over tempo doeloe,’ zegt Samidin. ‘Wij zijn de eerste generatie die openlijk durft te praten over de pijn die de Indonesiërs hebben gevoeld tijdens en na de kolonisatie, een pijn die nog steeds doorleeft.’ 

En natuurlijk zocht hij NAC Breda op. Hij bezocht wedstrijden en mocht meekijken hoe de spandoeken worden gemaakt. Maar, zegt hij, voetbal is niet alleen NAC. Met liefde praat hij over Sterren van Morgen, het initiatief van Abdelhak Bakbachi en Maikel Resort, die via sport jongeren uit de criminaliteit proberen te houden en hen zo perspectief proberen te bieden. Een belangrijk onderwerp voor Samidin, zelf heeft hij immers ook via een jongerenproject zijn leven op de rit gekregen.

Samidin is van Breda gaan houden. ‘Breda is een groot dorp,’ zegt hij. ‘Ik vind het geweldig dat de mensen die ik heb gefotografeerd straks in de Grote Kerk Breda bij elkaar komen, samen met heel veel andere Bredanaars. De Grote Kerk Breda is heel belangrijk voor iedereen. 
Wij zijn Breda, hoorde ik veel mensen zeggen. Breda is een waardevolle stad waar nog te weinig mensen van weten, denk ik. Voor buitenstaanders voelt het als een soort tussenstad. Maar wat me vooral opviel is dat iedereen zo lief is. Er was nooit een spanning die ik moest doorbreken. Breda zit nu in mijn hart.’

INFORMATIE OVER DE FOTO'S

Ray (cover)
Bianca Pilet, 2026

Bij het zien van de Grote Kerk Breda is Ray thuis. De grote torentatoeage op zijn rug bevestigt de liefde voor zijn stad. Hij zegt: ‘Ik heb gewoon veel liefde voor Breda en wilde het icoon van de stad laten vereeuwigen op mijn lijf’. Bianca fotografeerde de rug van Ray voor het grafmonument van Frederik van Renesse en zijn vrouw Anna van Hamal. De liggende figuren verbeelden Frederik en Anna. Maria kijkt van bovenaf op hen neer en ziet Ray bij het monument staan. Het hoofd van Maria is tijdens de Beeldenstorm in 1566 met grof geweld weggehakt. Ook het hoofd van Ray is onzichtbaar op deze foto waardoor er een vervreemdende verbinding ontstaat tussen Maria en Ray. 

Tattoo Artist: Koos van Fine Tattoo Works 

Bart (p. 10)
Bianca Pilet, 2026

De jongste Bredanaar die geportretteerd is door Bianca is Bart. Hij is 21 jaar en woont in Prinsenbeek. Bianca fotografeerde Bart buiten in de tuin, passend bij zijn beroep als hovenier. De witte stoel vond ze ter plekke. De rode emmer stond er al en versterkt de nonchalante uitstraling van het beeld. Bart heeft lang nagedacht over zijn tatoeage. Hij wist dat hij graag een tatoeage van Breda wilde, maar niet precies hoe die eruit moest komen te zien. Uiteindelijk koos hij voor een torentatoeage op zijn rechteronderbeen. Hij zegt: ‘De kerk is de trots van onze stad. Als je in Breda woont en de kerk ziet, weet je dat je thuis bent’. 

Tattoo Artist: Tattoo Joey 

Corné (p. 11)
Bianca Pilet, 2026

Deze man staat kwetsbaar met ontbloot bovenlijf in de kerk. De liefdesverklaring aan zijn stad liet hij met grote letters op zijn buik tatoeëren. Wie nog twijfelde aan de woonplaats van Corné, weet bij het zien van deze letters direct waar zijn hart ligt. Door zijn blote buik in de Prinsenkapel te hangen, de privékapel en grafkelder van de familie Nassau, krijgt hij een bijzondere plek in de kerk tussen de naakte lichamen op de plafondschildering. De schildering is gemaakt door de Italiaanse kunstenaar Tommaso Vincidor en een goed voorbeeld van de beeldtaal van de Renaissance waarin het geïdealiseerde klassieke schoonheidsideaal opnieuw aandacht kreeg.

Tattoo Artist: Wolf van Fine Tattoo Works

Johan en Miss Lagoona Storm (p. 12)
Bianca Pilet, 2026

Op de rechterarm van Johan prijkt een brede zwarte band. Het is de basis waarop later de skyline van Breda zal verschijnen. Een van de belangrijkste gebouwen van de stad is alvast neergezet: de Grote Kerk Breda. Johan heeft zijn arm stevig om Miss Lagoona Storm geklemd, het drag alter ego van zijn partner Ranger. Ze staan voor het grafmonument van Johanna van Polanen en Engelbrecht I van Nassau. De lichtroze glitterjurk werd speciaal afgestemd op het interieur van de kerk. 
‘Op deze plek passen ze goed’, zegt Bianca, ‘midden tussen de statige adellijke figuren 
van vroeger in hun geliefde thuisstad Breda’.

Tattoo Artist: Randy – amateur tattoo artist en zwager van Johan

Ronald (p. 13)
Bianca Pilet, 2026

Een van de pijnlijkste plekken om te laten tatoeëren is de voetzool. De huid is dun en er zitten veel zenuwen. Ook is de kans op slijtage groot, Ronald liet zijn tatoeage al 7 keer opnieuw zetten. Hij koos voor een korte tekst op de onderzijde van zijn voet: MADE IN BREDA, gecombineerd met drie Bredase kruizen. Het idee voor de tatoeage ontstond 25 jaar geleden op de camping in Molenschot. Om aan de Rotterdamse campinggasten duidelijk te maken waar hij vandaan komt, liet hij de tatoeage onder zijn voet zetten. Zelfs als hij aan het zonnen is, kan iedereen zien dat hij zijn thuisstad Breda altijd met zich meedraagt. 

Tattoo Artist: diverse artists, waaronder Bart Luykx van Dutch Indian Tattoo en Tattoo Broerie

Gianiro (p. 14)
Bianca Pilet, 2026

Op het rechterbovenbeen van Gianiro prijken drie kruizen. Ze verwijzen naar het wapen van Breda, dat in 1203 voor het eerst gebruikt werd door Godfried II van Schoten, heer van Breda. Hij liet zich inspireren door het Andreaskruis, vernoemd naar de apostel Andreas die aan een x-vormig kruis stierf. Het symbool beschermt tegen het kwade, maar voor Gianiro staat zijn tatoeage vooral voor zijn NAC-liefde – de Bredase voetbalclub. Hij won de tatoeage tijdens het supportersfeest van Vak G en twijfelde geen moment. Op zijn arm heeft hij tatoeages die verwijzen naar zijn Molukse achtergrond. Gianiro werd door Bianca geportretteerd in de wijk Driesprong, waar zijn gemeenschap al generaties lang samenleeft. 

Tattoo Artist: Hugo ‘da Huge’ de Graaf 

Frank (p. 15)
Bianca Pilet, 2026 

Frank is een van de bekendste Bredanaars met een tatoeage van de Grote Kerk Breda. Samen met zijn vrouw Jolanda is hij de eigenaar van Café Tuinzicht, een bruin café gelegen in de gelijknamige wijk. Hij wilde graag een tatoeage van de kerk en besloot om de toren op zijn rug te laten zetten. Over deze imposante tatoeage heen liet hij de bladmuziek van De Paarse Heide plaatsen. 
Dit lied is sinds 1991 officieel het stadslied van Breda. 

Tattoo Artist: Lisette van Wonder of Colour

Dré (p. 16) 
Bianca Pilet, 2026

Dré hangt op zijn kop in de Grote Kerk Breda. Hij rookt een sigaretje en kijkt je recht aan. De foto is kenmerkend voor het werk van Bianca. In haar foto’s zit vaak een onverwacht element verwerkt dat je op het verkeerde been zet. Op de hand van Dré is een spreuk te lezen: ‘Als ik thuis kom zie ik de grote kerk. Als ik de grote kerk zie ben ik thuis’. Het is een veelgehoorde uitspraak in Breda, een liefkozende ode aan het monument dat al eeuwenlang het icoon is van de stad. Dré zelf kwam de tekst tegen op een tegeltje en besloot daarna om de zinsnede op zijn hand te laten zetten. Hij zegt: 
‘Ik ben helemaal gek van Breda en vond het een mooie spreuk’. 

Tattoo Artist: Bianca van Long Bridge Tattoo

Vivienne (p. 17)
Bianca Pilet, 2026

Het lichaam van Vivienne is bijna volledig bedekt met tatoeages. Voor Vivienne sym-
boliseren haar tatoeages een logboek aan herinneringen. Van elke tatoeage kan ze zich nog herinneren waarom ze deze liet plaatsen en hoe haar leven er op dat moment uitzag. Op haar rechterbovenarm liet ze drie kleine kruizen plaatsen, toen ze na lange tijd van Engeland terug naar Breda verhuisde. 
‘Zo draag ik altijd een klein beetje Breda bij me’, zegt ze. Vivienne houdt ervan om tatoeages in verschillende stijlen te verzamelen. Haar lichaam is een canvas waarop ze de tatoeëerder graag vrij 
spel geeft. 

Tattoo Artist: Renaat du Soleil van Triple 
Flame Tattoo

Devin, Devin, Mart, Ries en Jesse (p. 18)
Bianca Pilet, 2026

Torens, kruizen en NAC-logo’s; op de lichamen van Devin, Devin, Mart, Ries en Jesse zie je ze overal terug. De mannen delen een gezamenlijke liefde voor de stad en haar voetbalclub, NAC Breda. Elke wedstrijd moedigen zij hun club vanaf de tribunes aan. Of ze nu winnen of verliezen, promoveren of degraderen, hun steun is onvoorwaardelijk. De Sint Joriskapel waarin de mannen gefotografeerd zijn staat symbool voor een soortgelijk broederschap. In deze kapel stond het altaar van het Sint Jorisgilde. Hierin waren ambachtslieden, schutters en rijke burgers verenigd die de stad op symbolische wijze beschermden. Op deze plek kwamen ze samen om te bidden voor hun welzijn en 
de veiligheid van de stad. 

Tattoo Artists: diverse artists, waaronder Andy Davies – Vintage Tattoo Studio, Amansho – House of Art, Tim Bertrums – Kraus Tattoo, Tommy Dieckmans – Exclusive Ink en Thijs Landkroon – Beyond Ink

Peter (p. 19)
Bianca Pilet, 2026

De torentatoeage van Peter is 3 jaar geleden gezet. Om zijn verbondenheid met de stad en het lokale carnavalsleven te benadrukken, liet hij ‘Kielegat’ onder de toren plaatsen – de naam van de stad tijdens carnaval. De ketting die Peter draagt is een cadeau van zijn vrouw. Tijdens het maken van de foto had hij de ketting nog niet officieel van haar gekregen, maar op verzoek van Bianca mocht hij hem toch om. Het laat zien hoe openhartig Bianca en Stacii door de Bredanaars zijn verwelkomd. Zonder aarzeling lieten zij hen binnen in hun levens en deelden zij hun liefde voor de stad en de Grote Kerk Breda met hen.

Tattoo Artist: Johan van Fine Tattoo Works

Casper en Pepijn (p. 20)
Bianca Pilet, 2026

Op een doodgewone donderdagmiddag liggen Casper en Pepijn met blote rug op de koude kerkvloer. Armen en benen steken in de lucht, tatoeages goed in beeld. Het is een wereld van verschil met hun dagelijkse werkzaamheden: Casper is muziekprogrammeur en Pepijn is kok en rapper. Na afloop van de fotosessie voegt Bianca de foto’s samen tot één compositie van buitelende mannenlichamen. Ze werd geïnspireerd door het grafmonument van Adriana van Nassau en Dirk van Assendelft, aan de noordzijde van de Grote Kerk Breda. Achter hen is een afbeelding van het laatste oordeel te zien, geïnspireerd op Michelangelo’s schildering Het laatste oordeel in de Sixtijnse Kapel in Rome. Ook daar vallen verschillende ontblote lichamen over elkaar heen. 

Tattoo artists: Joop Bongaerts – Bengels en Leonard Kloes – Studio Fouroux

Geertje (p. 21)
Bianca Pilet, 2026

Elk weekend zit Geertje achter de balie bij de Grote Kerk Breda. Als vrijwilliger verwelkomt ze bezoekers die binnenkomen en vertelt ze verhalen over het monument. Doordeweeks werkt ze bij een platenmaatschappij die elektronische dansmuziek uitbrengt. Bianca koos er daarom voor om haar te portretteren bij KlubCafé, een underground club vermomd als kroeg en een begrip in de stad. De skyline van Breda is de eerste tatoeage die Geertje liet zetten. Ze koos voor haar linkerarm, de kant waar je hart zit. ‘Ik vond het wel logisch’, zegt ze, ‘ik voel me een echte Bredase, deze stad is mijn thuis’. 

Tattoo Artist: Ted Poncin van Bunker Tattoo

Wij zijn Breda – Carnaval (p. 2, 25, 26, 30)
Stacii Samidin, 2026

Elk jaar wordt in Breda carnaval gevierd. De oudste bron waarin geschreven wordt over carnaval in Breda dateert uit 1726. Het feest vond in die tijd grotendeels achter gesloten deuren plaats en was in sommige perioden zelfs verboden. Sinds de jaren 1950 is carnaval een jaarlijks terugkerend straatfeest. Het vindt zijn oorsprong in de katholieke traditie. Van oudsher luidt carnaval de vastenperiode in tot Pasen – in totaal 40 dagen. Tijdens carnaval heet Breda ‘ut Kielegat’ en zijn de kleuren van de stad rood-oranje. Stacii mengde zich in het Kielegatse feestgedruis en fotografeerde onder andere tijdens de Oeledienst. Dat is een carnavaleske kerkdienst georganiseerd door Stichting Kielegat, de organisatie achter het carnaval in Breda. Alle deelnemers verschijnen dan in carnavalskleding in 
de Grote Kerk Breda. 

Wij zijn Breda – Breda Jazz Festival (p. 4, 33)
Stacii Samidin, 2026

Breda Jazz Festival is het oudste en grootste vierdaagse jazzfestival van Europa. Het trekt jaarlijks zo’n 250.000 bezoekers uit Breda en van ver daarbuiten. Al vanaf 1971 vindt het festival plaats tijdens het Hemelvaartsweekend. Verspreid door de binnenstad staan podia waarop muziek wordt gemaakt voor jong en oud. In 2026 bezocht Stacii het festival en fotografeerde de bezoekers die genieten van uiteenlopende muziekstijlen. Een uniek moment voor Stacii om zijn uitgangspunt ‘wij zijn Breda’ op beeld vast te leggen. 

Wij zijn Breda – Molukse gemeenschap (p. 24, 35) 
Stacii Samidin, 2026

In 1963 arriveerde de eerste groep Molukkers in Breda. Een deel van de wijk Driesprong werd aan hen toebedeeld. Daar werden 
voor de Molukkers, die naar Nederland waren gehaald, huizen gebouwd. Nog altijd zijn deze huizen aan de hechte Molukse gemeenschap toegekend. Veel Bredase Molukkers wonen mede om die reden nog steeds in Driesprong. Elk jaar vieren de Molukkers dat op 25 april 1950 de Republiek Maluku Selatan (RMS) werd uitgeroepen. Hiermee maakten de Molukken – bestaande uit duizenden eilanden – zich los van Indonesië, ook al erkent Indonesië de onafhankelijkheid niet. Stacii ging op bezoek in de wijk Driesprong en woonde deze belangrijke viering bij: Hari Proklamasi RMS.

Wij zijn Breda – NAC Breda (p. 24, 28, 33)
Stacii Samidin, 2026

Je zou kunnen zeggen dat er twee grote liefdes zijn in Breda: de Grote Kerk Breda en voetbalclub NAC Breda. In 1912 ontstond de club uit een samenvoeging van NOAD (Nooit Opgeven Altijd Doorzetten) en ADVENDO (Aangenaam Door Vermaak En Nuttig Door Ontspanning). Het leverde de naam NAC op, dat staat voor Noad Advendo Combinatie. Stacii maakte uitgebreid kennis met de supporters van NAC. Hij ging mee naar uit- en thuiswedstrijden, bezocht de spandoekmakers en zwaaide de spelersbus uit. Dat leverde een bijzonder inkijkje op in misschien wel de meest toegewijde gemeenschap van Breda. Een avondje NAC is inmiddels erkend als officieel Bredaas erfgoed. 

Wij zijn Breda – Poolse gemeenschap (p. 29, 34)
Stacii Samidin, 2026

De grootste Poolse begraafplaats van Nederland ligt in Breda: het Pools Militair Ereveld Breda. Dat is niet zo gek, Breda is op 29 oktober 1944 bevrijd door de 1e Poolse Pantser Divisie onder leiding van generaal Stanisław Maczek. Breda kent een grote Poolse gemeenschap. Veel soldaten bleven na het einde van de Tweede Wereldoorlog in Breda, ze konden niet terug omdat hun land in de greep was gekomen van de Sovjet. De Poolse soldaten vochtten aan de zijde van de Westerse geallieerden en werden door het nieuwe regime in Polen gezien als verraders. Bij terugkeer wachtte hen vaak strenge gevangenisstraf of zelfs de dood-straf. Hun nagedachtenis wordt nog altijd levend gehouden, Stacii fotografeerde een herdenking bij het graf van generaal Maczek.

Wij zijn Breda – Muziekscene (p. 31, 38)
Stacii Samidin, 2026

Breda staat bekend om het gezellige uitgaansleven en heeft met ruim 600 horecagelegenheden de op één na hoogste horecadichtheid van Nederland. Overal in de binnenstad vind je cafés, kroegen en discotheken. Het blijkt een vruchtbare voedingsbodem voor muzikaal talent. Internationaal bekende DJ’s, zoals Tiësto en Hardwell, zijn hier geboren en begonnen hier hun carrière. In hun voetsporen volgen DJ’s als R3hab, Dannic en vele anderen. De punkers die Stacii fotografeerde komen samen in De Avenue, een voormalige schuilkerk die is omgetoverd tot een podium voor live entertainment. 

Wij zijn Breda – Indische gemeenschap (p. 32)
Stacii Samidin, 2026

Stacii bezocht tijdens zijn ontdekkingstocht door Breda ook het Indisch Museum, opgericht in 2018 door Stichting Arjati. In dit huiskamermuseum worden de verhalen van de Indische gemeenschap in Breda bewaard en doorgegeven aan volgende generaties. De geschiedenis van deze gemeenschap is niet voor iedereen even bekend. Opvallend, want de eilanden van het huidige Indonesië vormden meer dan 100 jaar een Nederlandse kolonie – van 1816 tot 1949. Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 en de latere overdracht van Nieuw-Guinea in 1962, kwamen veel Indische mensen naar Nederland en Breda.

Wij zijn Breda – Sterren van Morgen (p. 34) 
Stacii Samidin, 2026,

Sterren van Morgen werd 20 jaar geleden opgericht door Abdelhak Bakbachi en Maikel Resort in de wijk Hoge Vucht. Deze stichting voor talentontwikkeling heeft als doel om jongeren een perspectief voor de toekomst te bieden. Door sportieve en culturele activiteiten te organiseren, krijgt de jeugd de ruimte om te leren, fouten te maken en zichzelf te ontdekken. Sinds kort is er ook een programma voor meisjes gestart: Meiden van Morgen. Oprichters Abdelhak en Maikel werden samen met een aantal jonge voetballers door Stacii op de foto gezet. 

Colofon

Dit magazine verschijnt bij de tentoonstelling Eén liefde, vele gezichten – Een stad in beeld, die van 3 juli t/m 1 november 2026 te zien is. Zowel de tentoonstelling als dit magazine zijn een initiatief van Stichting Grote Kerk Breda.

Fotografen

Bianca Pilet en Stacii Samidin ©2026

Foto header

Bianca Pilet, Ray, 2026

Teksten

Cécile Koekkoek – chef kunst- en cultuurkatern van de Volkskrant

Marieke Wiegel – directeur Stichting Grote Kerk Breda

Charlotte Fijen – curator Stichting Grote Kerk Breda

Redactie

Marjolein van de Putte – Bureau Branding

Iris van den Boezem – Oog voor Tekst

Grafische vormgeving

YURR.studio

GROTE KERK BREDA

De Grote Kerk Breda is al 750 jaar een huis van verhalen over verleden, heden en toekomst. Aan die plek voegen we verwondering en vernieuwing toe, onder meer als podium voor kunst, cultuur en ontmoeting. Verschillende generaties ontmoeten elkaar in het monument en raken geïnspireerd door met de blik van nu te kijken naar de kerk en de verhalen van toen.

Mede mogelijk gemaakt met de steun van: